Voortplanting

Uiteraard kunt u bij Dierenkliniek Emmeloord terecht voor drachtigheidsbegeleding van uw merrie. Tijdens het dek/veulenseizoen kunt u iedere werkdag terecht op het gynaecologisch spreekuur van 8.15 tot 9.00 uur. Hiervoor kunt u een afspraak maken met onze receptie. Uiteraard kunt u op afspraak ook op andere tijdens en in het weekend bij ons terecht. Drachtigheidsbegeleiding is ook aan huis mogelijk via onze buitenpraktijk.

Voor meer infromatie of het maken van een afspraak kunt u altijd met onze receptie bellen op 0527-613500

Drachtigheidsbegeleiding

Om een goed resultaat te bereiken in de drachtigheidsbegeleiding is het belangrijk om het juiste moment van insemineren te bepalen. Dit gebeurt door middel van rectaal en echografisch onderzoek, indien mogelijk in combinatie met het schouwen van de merrie. Op deze manier wordt bepaald in welk stadium van de cyclus de merrie zich bevindt.

De merrie wordt bij voorkeur geinsemineerd in het traject van 36 uur voor de eisprong tot 6 uur na de eisprong. Om het juiste tijdstip van insemineren te bepalen kunnen meerder controles nodig zijn. Vervolgens is de controle na insemineren van belang. Er wordt gecontroleerd of de eisprong plaatsgevonden heeft en of de baarmoeder er goed uit ziet. Soms kan de baarmoeder overdreven reageren op het insemineren en kan nabehandeling nodig zijn. Vanaf 14 dagen na eisprong kan gecontroleerd worden of de merrie drachtig is. Met name bij deze eerste controle is het van belang om te controleren of er geen sprake is van tweelingdracht. Vervolgens wordt geadviseerd de dracht volgens onderstaand schema onder controle te houden.

      Tijdstippen drachtcontrole:

  • Bij dubbele eisprong D14-15 na eisprong, in andere gevallen heeft dit ook de voorkeur, bij vrijwel zeker 1 eisprong evt D15-18 na eisprong.
  • Op 4 weken dracht,  kloppend hartje is dan zichtbaar.
  • Op 7-9 weken dracht, controle verdere ontwikkeling dracht.
  • In september in verband met  evt. gustverklaring voor 1 oktober.
  • Bij twijfel kan op ieder moment een controle plaatsvinden.

Als u meer wilt weten over de drachtigheidsbegeleiding,  probleemmerries of embryotransplantatie, klikt u hieronder op ‘Lees meer‘. 

Tweelingdracht

Het lijkt zo romantisch, een merrie in de wei met twee gezonde veulens aan de voet. Toch is dit ongewenst bij het paard. Tweelingdracht gaat bij de merrie vaak gepaard met een hoop ellende. Complicaties die bij een tweelingdracht worden gezien zijn o.a. abortus, dode of slechte veulens, geboorteproblemen, aan de nageboorte staan (vertraagde afstoting van de vruchtvliezen) en baarmoederontsteking. Het krijgen van een tweeling is niet alleen risicovol voor de veulens, maar ook voor de merrie.

Hoe is een tweeling dracht te voorkomen

Door de cyclus rectaal en echografisch te vervolgen kan bepaald worden of er 1 of 2 eisprongen hebben plaatsgevonden. Verreweg de meeste tweelingen ontstaan vanuit een dubbele eisprong (twee-eiige tweeling). Dat wil zeggen dat er in een cyclus 2 eisprongen zijn. Er komen dan dus 2 eicellen vrij en als deze beide bevrucht worden, kan een tweeling ontstaan. Deze eisprongen kunnen tegelijk of kort na elkaar plaatsvinden maar er kunnen ook enkele dagen tussen zitten. Dit is met echo in beeld te brengen.

Wanneer er een dubbele eisprong heeft plaatsgevonden, dan wordt geadviseerd om drachtcontrole uit te voeren op dag D14 of 15 na de eisprong. Als er sprake is van een tweeling dan kan dit echografisch in beeld gebracht worden. Men ziet dan twee ronde zwarte blaasjes in de baarmoeder, die mogelijk verschillend van grootte zijn.

In dit stadium is het mogelijk om 1 blaasje naar een hoornpunt van de baarmoeder te masseren, ver weg van het andere vruchtblaasje en daar te pletten (crushen). In 90 % van de gevallen blijft het andere vruchtblaasje dan intakt en volgt een normale dracht. Op de 16e – 18 e dag vindt de innesteling van de vruchtblaasjes plaats, de vruchtblaasjes komen dan vast te zitten aan de baarmoederwand en zijn niet meer verplaatsbaar. Als de vruchtblaasjes dicht bij elkaar ingenesteld zijn, dan is er bij het crushen meer risico voor het overgebleven vruchtblaasje.

Geschat wordt dat bij zo’n 15 tot 25% van de paarden een dubbele eisprong voorkomt.  Het precieze aantal is per ras verschillend. Een dubbele eisprong kan gemist worden als na de eerste eisprong nog een follikel ontwikkelt en ook springt, soms meerdere dagen na de eerste eisprong. Bij goede kwaliteit sperma is het mogelijk dat deze eicel ook nog bevrucht worden, in sommige gevallen nog tot 4 dagen na inseminatie.Het is daarom zinvol de merrie voor D30 opnieuw te laten controleren op (tweeling)dracht. Als de merrie dan drachtig is van een tweeling kan het een optie zijn om de merrie hengstig te spuiten en opnieuw te insemineren. Het tijdstip van rond D30 is gebaseerd op het fenomeen dat rond D35 van de dracht de zogenaamde ‘endometriumcups’ worden gevormd. Deze produceren hormonen die de dracht in stand houden. Hierdoor is de reaktie op hengstig spuiten niet meer zo voorspelbaar en kan het moeizamer zijn om de tweelingdracht af te breken.

Probleem merries

Een probleemmerrie wordt gedefinieerd als een merrie die na inseminatie in 3 verschillende cycli met sperma van goede kwaliteit nog steeds niet drachtig is.

Er zijn verschillende oorzaken te noemen voor het herhaald niet drachtig worden. Enkele voorbeelden zijn baarmoederontsteking, een slecht gevormde vulva of baarmoeder, een slecht verslappende baarmoedermond, de aanwezigheid van cysten in de baarmoeder en een overgevoeligheid voor spermabestanddelen.

Wat kunnen we eraan doen?

Probleemmerries kunnen met intensieve begeleiding vaak wel drachtig worden, maar voor het zover is moeten eerst achterhaald worden wat de oorzaak is van het niet drachtig worden. Naast het uitwendig onderzoek en het rectaal en echografisch onderzoek van de baarmoeder, de baarmoedermond en de eierstokken, zijn er nog andere diagnostische onderzoeken mogelijk.

  • Slijmmonster

Bij het nemen van een slijmmonster wordt een lange wattenstaaf onder steriele omstandigheden in de baarmoeder gebracht en langs de wand geveegd. Hierna wordt de kop van de wattenstaaf steriel verpakt en naar het laboratorium gestuurd voor een kweek. Op deze manier is het mogelijk om eventuele ziekteverwekkers als bacterien, gisten en schimmels op te sporen.

Als er bijvoorbeeld een bacterie gekweekt wordt, kan getest worden voor welk antibioticum deze bacterie gevoelig is. Zonodig kan een behandeling volgen.

Op een vergelijkbare manier kunnen ook cellen uit de baarmoeder verzameld worden. Onder de microscoop kan gekeken worden naar het aantal en het  type cellen. Ook dit kan aanwijzingen geven of er sprake is van baarmoederonsteking. Een andere techniek om ziekteverwekkers op te sporen is de zogenaamde ‘small volume lavage’. Men laat een kleine hoeveelheid vocht in de baarmoeder lopen en dit wordt vervolgens weer terug gehaald. Dit vocht wordt dan op kweek gezet.

  • Vaginoscopie:

Met een speculum kan de binnenwand van de vagina beoordeeld worden en de vorm en het aspect van de baarmoedermond. In combinatie met vaginaal voelen kunnen afwijkingen aan de baarmoedermond aan het licht komen.

  • Endoscopie:

Een ander diagnostisch hulpmiddel is de endoscopie. Met behulp van een kleine camera wordt de baarmoeder van binnen bekeken en zijn eventueel aanwezige afwijkingen direct zichtbaar. Bijvoorbeeld baarmoedercystes kunnen dan direkt ook verwijderd worden.

  • Biopsie

Om een beeld te krijgen van de baarmoederkwaliteit bestaat de mogelijkheid een biopt te nemen. Er wordt een stukje weefsel uit de baarmoeder genomen. Dit wordt dan microsopisch onderzocht waarbij gekeken wordt of er afwijkingen zijn op celniveau. Dit kan informatie geven over de achtergrond van het niet drachtig worden en kan een indicatie geven over de kans dat de merrie nog drachtig gaat worden.