Ontwormingsbeleid

U kunt bij Dierenkliniek Emmeloord een mestmonster van u paard afgeven aan de balie om de mest te laten onderzoeken. De resultaten zullen over het algemeen dezelfde of de volgende dag aan u teruggekoppeld worden, voorzien van een bijpassend advies. Voor het beste resultaat is het van belang “verse” mest in te leveren, liefst enkele mestballetjes die niet op de grond gelegen hebben (bovenop de hoop), en de mest koel te bewaren. Dit voorkomt dat de monsters vervuild raken door de omgeving en dat de eitjes zich al tot larven ontwikkelen voor het monster in de kliniek aankomt. De mest kan in een luchtdicht zakje aangeleverd worden. Bij groepen paarden is het ook mogelijk een mengmonster af te geven, waarin de mest van verschillende paarden als 1 monster onderzocht wordt. Als dit u voorkeur heeft is het verstandig even telefonisch contact op te nemen met de kliniek om te bespreken welke monsters gegroepeerd kunnen worden en welke invloed dit heeft op de uitslag.

Het mestmonster zal in de kliniek onderzocht worden door het allereerst op het oog te bekijken op het voorkomen van larven of wormen. Vervolgens wordt de mest onder de microscoop onderzocht om vast te stellen of er wormeitjes aanwezig zijn en zo ja welke en hoeveel. Mestonderzoek bij volwassen paarden wordt met name gedaan voor de Cyathostominae (rode bloedworm). Daarnaast worden soms spoelwormen aangetoond. Hoewel op elk moment een mestonderzoek gedaan kan worden is er een zekere voorkeur voor bepaalde momenten binnen het jaar. Dit heeft te maken met de levenscyclus/ontwikkeling van de wormen.

Het eerste moment binnen een jaar is voor aanvang van het weideseizoen (in maart als dieren permanent weidegang hebben). Dit zorgt ervoor dat besmette paarden opgespoord worden en een nieuwe besmetting van het weiland voorkomen wordt. Zodra paarden op het land komen kunnen ze hier wormeitjes opnemen en besmet raken. Daarom zal het mestonderzoek als er niet ontwormd wordt met tussenperioden herhaald moeten worden. Als er wel ontwormd wordt is het volgende mestonderzoek afhankelijk van de werkingsduur van het gebruikte wormmiddel plus de ontwikkelingsduur van de worm in kwestie. Uw dierenarts zal u kunnen adviseren wanneer het zinvol is het onderzoek te herhalen. In het najaar (augustus/september) volgt een laatste mestonderzoek, waarna de rest van het jaar niet meer gecontroleerd hoeft te worden. Dit heeft te maken met de levenscyclus van de parasiet, die in de winter vrijwel tot stilstand komt. De rode bloedwormen maken in het najaar een ruststadium door als larven in de darmwand en wachten zo op het voorjaar. Omdat er op dat moment geen volwassen wormen zijn worden er geen wormeieren geproduceerd en uitscheiden met de mest. Dit zorgt ervoor dat het in een mestonderzoek lijkt alsof er geen wormbesmetting is. In het voorjaar kunnen de larven massaal uit de darmwand komen, met name bij jong paarden, en zo leiden tot koorts en diarree. Vaak wordt besloten deze laatste controle te vervangen door eenmalige ontworming met moxidectine en praziquantel. Deze middelen doden de larven in de darmwand en werken daarnaast tegen lintwormen en larven van paardenhorzels, die in mestonderzoek (vaak) niet aangetoond worden.
De uistslag van het mestonderzoek is een bepaald aantal eitjes per gram mest. Wanneer deze waarde onder een bepaalde grens ligt is ontwormen niet nodig. Dit omdat lage aantallen vrijwel nooit ziekte veroorzaken, maar wel zorgen voor een zekere ontwikkeling van “afweer” door het paard. Boven de grenswaarde wordt ontwormen wel aanbevolen.

Wormbestrijding

Bestrijding van wormen kan het beste door een combinatie van management strategieën en gericht ontwormen van paarden. Om de kans op een wormbesmetting zo klein mogelijk te maken  moet de infectiedruk (het aantal wormeieren per oppervlakte) zo laag mogelijk zijn. Dit kan door niet te veel paarden op een stuk land te houden en nieuwe paarden te ontwormen voor ze bij een groep gaan. Voor het omweiden naar een schoon land dient er mestonderzoek gedaan te worden en zonodig ontwormd te worden, om nieuwe besmetting te voorkomen. Nadat mest met wormeitjes op het land terecht is gekomen is er een zekere tijd (afhankelijk van temperatuur en vochtigheid) nodig om infectieuze larven te laten ontwikkelen en het land daadwerkelijk “te besmetten”. Door minstens twee maal per week de mest uit het land te halen krijgen eitjes uit de mest niet de tijd om infectieuze larven op het land te worden. Verder zijn er maatregelen om het aantal eitjes op het land weer te verminderen na besmetting. Dit kan door het laten grazen van andere diersoorten (schapen, koeien) die een deel van de eitjes opnemen maar er niet ziek van worden. Ook kan het grasland gemaaid worden, waarmee de larven (die aan de toppen van het gras gaan zitten) verdwijnen.

Als ondanks alle genomen maatregelen met mestonderzoek toch een wormbesmetting van betekenis wordt aangetoond dient het paard ontwormd te worden met een passend middel in de juiste dosering. Hiervoor wordt een ontwormpasta met een spuit in de mond ingegeven. Lees vooraf altijd de bijsluiter en volg deze. Belangrijk is dat het middel voor het lichaamsgewicht van het paard ingegeven wordt. Nooit te laag doseren! De middelen zijn veilig en kunnen over het algemeen ruim gedoseerd worden. Voor moxidectine geld dit in mindere mate. Dit moet niet overgedoseerd worden en niet gebruikt worden bij veulens. Vraag uw dierenarts of gebruik een meetlint om u te helpen bij het inschatten van het gewicht van uw paard en probeer niet te morsen. Er zijn verschillende ontwormingsmiddelen op de markt, die afhankelijk van de werkzame stof effectief zijn tegen bepaalde groepen wormen. De meestgebruikte werkzame stoffen zijn:

Avermectine, Ivermectine (o.a. Equimectin, Eraquel). Werkingsduur 6-8 weken – werkzaam tegen de meeste parasieten,  niet tegen geëncysteerde cyathostominae larven en lintwormen.

Moxidectine, Milbemycine (Equest). Werkingsduur 12 weken – werkzaam tegen de meeste wormen, niet tegen lintwormen. In tegenstelling tot ivermectine ook werkzaam tegen ingekapseld larven van bloedwormen in de darmwand. Nooit moxidectine toedienen aan veulens jonger dan zes maanden!

Pyrantel (Strongid-P). Werkingsduur 6-8 weken – wisselende gevoeligheid, werkt niet tegen horzellarven. Gebruik met name bij spoelworminfecties.

Praziquantel (Equest Pramox). Werkzaam tegen lintwormen. Alleen verkrijgbaar als combinatie met andere werkzame stoffen.

Fenbendazole (Panacur). Werkingsduur 6-8 weken – werkzaam tegen de meeste parasieten en bij hoge dosering tegen onder meer geëncysteerde cyathostomen larven. Niet tegen horzellarven.

Welk middel het meest geschikt is voor uw paard zal uw dierenarts het beste kunnen bepalen afhankelijk van de situatie en de resultaten van een mestonderzoek.

De meest voorkomende wormen bij het paard

Veulenworm – Strongyloides westeri 

Strongyloides_stercoralis_larva

Deze worm richt eigenlijk alleen schade aan bij veulens. Bij oudere paarden komen deze wormen wel voor maar richten niet zozeer schade aan. Besmetting vindt voornamelijk plaats doordat de merrie larven uitscheidt via de biest en de melk. Veulens kunnen op deze manier tot ongeveer 6-7 weken leeftijd besmet worden. De via de melk opgenomen larven zijn zover ontwikkeld dat ze direct in de darm verder kunnen ontwikkelen. De volwassen wormen leven in en op het slijmvlies van het voorste deel van de dunne darm en kunnen diarree veroorzaken. Al op 8 dagen na infectie kunnen deze veulens eitjes uitscheiden via de mest.

Spoelwormen – Parascaris equorum

Spoelworm

Spoelwormen worden vrijwel alleen bij jonge paarden gezien. Deze wormen zijn heel groot (tot ongeveer 50 cm!) en wit van kleur. Het ziet er ongeveer uit als spaghetti. De volwassen wormen produceren eitjes. Deze wormeitjes worden uitgescheiden via de mest en uit deze eitjes ontwikkelen zich larven. Besmetting vindt plaats door orale opname van deze zogenaamde infectieuze larven. De volwassen spoelwormen richten op zichzelf niet zoveel schade aan. Echter als deze grote wormen in grote aantallen voorkomen kan dit verstoppingen veroorzaken met als gevolg koliek waarbij soms chirurgie geïndiceerd is, en in enkele gevallen koliek waarbij verscheuring van de darm optreedt. De larven maken een trektocht door het lichaam via de lever en de longen. Deze kunnen hier schade aanrichten wat zich kan uiten in een versnelde ademhaling, hoesten en neusuitvloeiing. Daarnaast kunnen deze wormen ook klachten als sloomheid, slecht eten en gewichtsverlies veroorzaken.

Grote strongyliden – Strongylus vulgaris

Bloedworm

Deze wormen zijn ongeveer 2,5 cm lang en wit van kleur. Er bestaan verschillende soorten en afhankelijk van de soort gaan de larven vanuit de darm via de lever of de bloedvaten weer terug naar de darm. De verschillende stadia van deze wormen kunnen bloedarmoede, koliek, slecht eten, vermageren en een dorre, doffe vacht veroorzaken. Besmetting vindt plaats door orale opname van tot larfjes ontwikkelde eitjes die uitgescheiden zijn via de mest. Deze wormen zijn berucht voor hun migratie door de vaten in het mesenterium (scheilswortel) met als mogelijk gevolg trombose, infarcten en/of necrose van de darmwand.

Kleine strongyliden – Cyathostomen

Cyathostomen

Dit zijn kleine rode wormpjes. Er bestaan weer verschillende soorten die variëren in lengte van ongeveer 0,5 tot bijna 3 cm lang. De larven van deze wormen dringen de wand van vooral de dikke darm en de blinde darm binnen. Er vormt zich dan een kapseltje om de larven. Na een bepaalde periode verlaten de larven het kapseltje en worden de wormen volwassen op het darmslijmvlies. Vooral het massaal ontwikkelen en vrijkomen van larven geeft problemen en kan ernstige diarree veroorzaken. Andere symptomen zijn slecht groeien, vermageren, ruige vacht, koliek, koorts en bloedarmoede. Besmetting vindt ook hier plaats doordat met de mest uitgescheiden eitjes ontwikkelen tot larven, die vervolgens oraal opgenomen worden.

Lintwormen – Anoplocephala perfoliata

lintworm

De cylus van de lintworm gaat via een tussengastheer, namelijk de mosmijt. De besmetting vindt plaats door opname van de met de lintworm besmette mijten.  Deze mijten bevinden zich onder andere in gras, hooi, stro en kuilgras. De lintworm bevindt zich met name in de overgang van de dunne darm naar de blinde darm. Onderzoek heeft aangetoond dat bepaalde vormen van ernstige koliek samenhangen met lintworminfecties.

Aarsmaden – Oxyuris equi 

Oxyuris equi

Deze veroorzaken met name jeuk en dus schuren van de staartwortel.

Horzellarven – Gastrophilus 

Gastrophilus

De gewone paardenhorzel is een roestkleurige tot bruingevlekte vlieg. De horzels leggen eitjes op het paard, bij voorkeur op de manen, de schoft en de benen.  De paarden worden besmet door het likken van haren, bezet met eieren op de eigen lichaamsdelen of die van soortgenoten. De larven komen uit het eitje en dringen in de mond het slijmvlies binnen. De larven trekken naar het achterste gedeelte van de tong, worden doorgeslikt en komen in de maag terecht. Hier hechten de larven aan het maagslijmvlies. Het schadelijk effect van deze larven valt meestal mee. Zware infecties kunnen ontstekingsverschijnselen in de maag veroorzaken.

Longwormen – Dictyocaulus arnfieldi

Dictyocaulus arnfieldi

In ezels komt infectie met deze parasiet voor zonder klinische verschijnselen. Bij paarden echter kunnen deze parasieten een bronchitis/bronchopneumonie veroorzaken. De rondtrekkende larven van de andere wormen kunnen ook tot longaandoeningen leiden en bij jaarlingen zijn met name de spoelwormen hierom berucht.

 

 

Neem gerust contact op met de kliniek voor een bij uw paard en/of bedrijf passend ontwormingsschema of bij andere vragen met betrekking tot wormen.