Wormen
Alle paarden hebben wormen. Verschijnselen die door wormbesmetting kunnen ontstaan zijn bijvoorbeeld koliek, slechte groei, gewichtsverlies, diarree, doffe vacht, huidafwijkingen en longaandoeningen. Een goede wormbestrijding is daarom van groot belang.
De meest voorkomende wormen bij het paard:
Veulenworm - Strongyloides westeri
Deze worm richt eigenlijk alleen schade aan bij veulens. Bij oudere paarden komen deze wormen wel voor maar richten niet zozeer schade aan. Besmetting vindt voornamelijk plaats doordat de merrie larven uitscheidt via de biest en de melk. Veulens kunnen op deze manier tot ongeveer 6-7 weken leeftijd besmet worden. De via de melk opgenomen larven zijn zover ontwikkeld dat ze direct in de darm verder kunnen ontwikkelen. De volwassen wormen leven in en op het slijmvlies van het voorste deel van de dunne darm en kunnen diarree veroorzaken. Al op 8 dagen na infectie kunnen deze veulens eitjes uitscheiden via de mest.
Spoelwormen - Parascaris equorum
Spoelwormen worden vrijwel alleen bij jonge paarden gezien. Deze wormen zijn heel groot (tot ongeveer 50 cm!) en wit van kleur. Het ziet er ongeveer uit als spaghetti. De volwassen wormen produceren eitjes. Deze wormeitjes worden uitgescheiden via de mest en uit deze eitjes ontwikkelen zich larven. Besmetting vindt plaats door orale opname van deze zogenaamde infectieuze larven. De volwassen spoelwormen richten op zichzelf niet zoveel schade aan. Echter als deze grote wormen in grote aantallen voorkomen kan dit verstoppingen veroorzaken met als gevolg koliek waarbij soms chirurgie geïndiceerd is, en in enkele gevallen koliek waarbij verscheuring van de darm optreedt. De larven maken een trektocht door het lichaam via de lever en de longen. Deze kunnen hier schade aanrichten wat zich kan uiten in een versnelde ademhaling, hoesten en neusuitvloeiing. Daarnaast kunnen deze wormen ook klachten als sloomheid, slecht eten en gewichtsverlies veroorzaken.

Ascariden vrij in buikholte na ruptuur darm
Grote strongyliden - Strongylus vulgaris
Deze wormen zijn ongeveer 2,5 cm lang en wit van kleur. Er bestaan verschillende soorten en afhankelijk van de soort gaan de larven vanuit de darm via de lever of de bloedvaten weer terug naar de darm. De verschillende stadia van deze wormen kunnen bloedarmoede, koliek, slecht eten, vermageren en een dorre, doffe vacht veroorzaken. Besmetting vindt plaats door orale opname van tot larfjes ontwikkelde eitjes die uitgescheiden zijn via de mest. Deze wormen zijn berucht voor hun migratie door de vaten in het mesenterium (scheilswortel) met als mogelijk gevolg trombose, infarcten en/of necrose van de darmwand.
Kleine strongyliden - Cyathostomen
Dit zijn kleine rode wormpjes. Er bestaan weer verschillende soorten die variëren in lengte van ongeveer 0,5 tot bijna 3 cm lang. De larven van deze wormen dringen de wand van vooral de dikke darm en de blinde darm binnen. Er vormt zich dan een kapseltje om de larven. Na een bepaalde periode verlaten de larven het kapseltje en worden de wormen volwassen op het darmslijmvlies. Vooral het massaal ontwikkelen en vrijkomen van larven geeft problemen en kan ernstige diarree veroorzaken. Andere symptomen zijn slecht groeien, vermageren, ruige vacht, koliek, koorts en bloedarmoede. Besmetting vindt ook hier plaats doordat met de mest uitgescheiden eitjes ontwikkelen tot larven, die vervolgens oraal opgenomen worden.

Cyathosomen (rode worm) in dikke darm
Lintwormen - Anoplocephala perfoliata
De cylus van de lintworm gaat via een tussengastheer, namelijk de mosmijt. De besmetting vindt plaats door opname van de met de lintworm besmette mijten. Deze mijten bevinden zich onder andere in gras, hooi, stro en kuilgras. De lintworm bevindt zich met name in de overgang van de dunne darm naar de blinde darm. Onderzoek heeft aangetoond dat bepaalde vormen van ernstige koliek samenhangen met lintworminfecties.

Anoplocephala in een gedeelte van de darm.
Aarsmaden - Oxyuris equi
Deze veroorzaken met name jeuk en dus schuren van de staartwortel.
Horzellarven - Gastrophilus
De gewone paardenhorzel is een roestkleurige tot bruingevlekte vlieg. De horzels leggen eitjes op het paard, bij voorkeur op de manen, de schoft en de benen. De paarden worden besmet door het likken van haren, bezet met eieren op de eigen lichaamsdelen of die van soortgenoten. De larven komen uit het eitje en dringen in de mond het slijmvlies binnen. De larven trekken naar het achterste gedeelte van de tong, worden doorgeslikt en komen in de maag terecht. Hier hechten de larven aan het maagslijmvlies. Het schadelijk effect van deze larven valt meestal mee. Zware infecties kunnen ontstekingsverschijnselen in de maag veroorzaken.

Gastrophilus eitjes in het haar aan de binnenzijde van het voorbeen ter hoogte van de voorknie (carpus).

Gastrophilus larven in het slijmvlies van de maag.
Longwormen - Dictyocaulus arnfieldi
In ezels komt infectie met deze parasiet voor zonder klinische verschijnselen. Bij paarden echter kunnen deze parasieten een bronchitis/bronchopneumonie veroorzaken. De rondtrekkende larven van de andere wormen kunnen ook tot longaandoeningen leiden en bij jaarlingen zijn met name de spoelwormen hierom berucht.
Bestrijding van wormen kan het beste door een combinatie van management strategieën en regelmatig ontwormen van paarden.
Infectiedruk verlagen:
• Niet teveel paarden op een stuk land.
• Alle paarden in een groep tegelijk ontwormen.
• Nieuwe paarden ontwormen voordat zij bij de groep gaan.
• Voor paarden naar een nieuw stuk land gaan, de hele groep ontwormen.
• Indien mogelijk omweiden op 'schone' stukken land. 'Schoon' kan zijn gemaaid, gehooid of beweid door een andere diersoort.
• Regelmatig mest uit het land verwijderen.
• Regelmatig mestonderzoek laten verrichten. Hiermee wordt gecontroleerd of het ontwormingsschema effectief is en of er resistentie tegen bepaalde ontwormingsmiddelen is opgetreden. Verder zijn er individuele verschillen en kan het zo zijn dat er 1 paard in de groep is die gevoeliger is voor worminfecties dan andere en die misschien meer eieren uitscheidt dan anderen.
Ontwormingsmiddelen zijn verkrijgbaar met oa de volgende werkzame stoffen:
• Fenbendazole. Werkingsduur 6-8 weken - werkzaam tegen de meeste parasieten en bij hoge dosering tegen onder meer geëncysteerde cyathostomen larven. Niet tegen horzellarven.
• Avermectine, Ivermectine. Werkingsduur 6-8 weken - werkzaam tegen de meeste parasieten, niet tegen geëncysteerde dyathostomen larven en lintwormen.
• Moxidectine, Milbemycine. Werkingsduur 12 weken - werkzaam tegen de meeste wormen, niet tegen lintwormen.
• Pyrantel. Werkingsduur 6-8 weken - werkzaam tegen de meeste wormen, niet tegen horzellarven en lintwormen.
• Praziquantel. Werkzaam tegen lintwormen.
Ontwormingsschema
Er is geen ontwormingsschema op te stellen dat in alle situaties optimaal is. Bij een hogere infectiedruk moet vaker ontwormd worden. Factoren zoals het aantal paarden, de hoeveelheid grond en mogelijkheid tot omweiden, hebben invloed op de infectiedruk. Bijvoorbeeld wanneer paarden altijd op hetzelfde stukje weiland lopen zal vaker ontwormd moeten worden dan wanneer omgeweid kan worden op gemaaide stukken land.
De volgende richtlijnen kunnen gehanteerd worden om een goed ontwormingsschema op te stellen:
• Veulens:
Drachtige merries zo kort mogelijk voor het veulenen ontwormen met ivermectine om besmetting van het veulen met de veulenworm te voorkomen. Ivermectine, pyrantel en praziquantel zijn veilig voor drachtige merries.
Het veulen op 7-10 dagen ontwormen met ivermectine.
Ivermectine herhalen 2-3 weken na de eerste ontworming.
Vervolgens het veulen om de 4-6 weken ontwormen met ivermectine/pyrantel.
Als het veulen een aantal maanden oud is, ontwormen met pyrantel, aangezien dit beter werkt tegen spoelwormen.
In november/december ivermectine gebruiken ivm de horzellarven.
Moxidectine niet bij veulens gebruiken!
• Jaarlingen:
Het onderstaande schema voor volwassen paarden aanhouden, en daarbij een aantal keren pyrantel gebruiken ivm spoelwormen.
• Volwassen paarden:
De bovenvermelde middelen kunnen gebruikt worden, waarbij de aangegeven werkingsduur aangehouden kan worden. Daarbij is van belang:
o In november/december ivermectine gebruiken ivm horzellarven.
o 2 x per jaar een combinatiepreparaat met praziquantel gebruiken om lintwormen te bestrijden.
o 2 x per jaar een preparaat gebruiken tegen geëncysteerde larven.
Daarnaast is nog van belang:
• Gebruik geregistreerde middelen.
• De juiste dosering is van groot belang. Nooit te laag doseren! De bovengenoemde middelen zijn veilig en kunnen ruim gedoseerd worden. Voor moxidectine geld dit in mindere mate. Dit moet niet overgedoseerd worden en niet gebruikt worden bij veulens.
• Kijk goed op de verpakking wat de werkzame stof is en voor welk gewicht een volle spuit is.
• Verminder de kans op resistentie-ontwikkeling door de juiste dosering toe te dienen en door met uw dierenarts een passend ontwormingsschema op te stellen, met gebruik van passende middelen en een passende ontwormingsfrequentie.
Voor een bij uw paard en/of bedrijf passend ontwormingsschema kunt u met ons, of met uw eigen dierenarts contact opnemen.